Residunormen zijn geen volksgezondheidsnormen. Dit wordt vaak gedacht. Residunormen zijn in eerste instantie gebaseerd op GAP (Good Agricultural Practice of Goede landbouw praktijken). Dat wil zeggen dat er niet meer van een bepaald middel bij een bepaalde teelt wordt gebruikt dan strikt noodzakelijk is. Een voorstel voor een residunorm wordt, voordat het in de wet wordt opgenomen, wel beoordeeld op volksgezondheidsaspecten. Als een voorgestelde residunorm vanuit volksgezondheidsoogpunt niet acceptabel is, dan wordt deze residunorm niet vastgesteld. Er wordt dan gekeken of het gebruik van het middel kan worden aangepast, zodat dit leidt tot minder residu en dus tot een acceptabele norm voor de volksgezondheid.
Om te bepalen of een residu schadelijk kan zijn voor de consument worden berekeningen uitgevoerd. Hierbij wordt zowel naar de mogelijke acute werking van het betreffende bestrijdingsmiddel gekeken, als naar de chronische (op langere termijn) werking ervan. Bij middelen, waarvan bekend is dat ze een acuut effect kunnen hebben, wordt een 'acute referentie dosis (ARfD)' vastgesteld. Een ARfD is niet bij alle middelen nodig, omdat bij diverse middelen geen acute effecten optreden.
Voor bestrijdingsmiddelen wordt altijd een zogenaamde 'aanvaardbare dagelijkse inname' (ADI) vastgesteld. Deze ADI zegt iets over de chronische toxiciteit (effect op langere termijn) van een middel. De ADI is bepaald op basis van de veronderstelling dat mensen gedurende een langere tijd een middel kunnen binnenkrijgen.
Wanneer uit berekeningen blijkt dat zowel de ARfD als de ADI niet wordt overschreden, dan wordt deze toepassing vanuit gezondheidsoogpunt als veilig beschouwd. De berekeningen op basis van ARFD en ADI worden tegenwoordig niet alleen gedaan voor volwassenen, maar ook voor kinderen. Dit laatste wordt gedaan omdat kinderen meer gevoelig kunnen reageren op bestrijdingsmiddelen. Daarnaast hebben kinderen een afwijkend eetpatroon.
Afdrukken